‘Legitimaris en erfgenaam – waardering van onroerend goed’

Gepubliceerd op: 08-12-2020

Op 21 januari 2020 deed het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden een uitspraak (vindbaar op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:507) over de waardering van onroerend goed in een nalatenschap. De uitspraak is extra van belang omdat daarnaast ook ‘nog even’ het criterium voor een nietig dan wel vernietigbaar testament getoetst en (nogmaals) uiteen gezet wordt.

 

Waar gaat de discussie over?

Het Gerechtshof stelt in dit geval de waarde van inboedel op € 7.714,26 en gaat in op het al dan niet afgelost zijn van leningen door een erfgenaam en verschillende bewijsperikelen. Maar de discussie gaat vooral over de vraag naar welk moment onroerend goed in een nalatenschap moet worden gewaardeerd en of het testament in deze zaak nietig is.

 

Wat is het probleem?

Het probleem in deze zaak is dat in de nalatenschap van de eerst overleden ouder de kinderen allemaal erfgenaam zijn. In de nalatenschap van de langstlevend ouder zijn een aantal kinderen onterfd waardoor zij slechts recht hebben op de hun op grond van de wet toekomende legitieme portie.

Het andere probleem is de vraag of het testament van de langstlevende ouder wel rechtsgeldig is of dat het als nietig testament van tafel moet. 

 

Wat heeft het Gerechtshof bepaald?

Over de waardering van onroerende goederen brengt het Gerechtshof een splitsing aan. Veelal wordt een nalatenschap nadat de langstlevende ouder is overleden benaderd als één geheel. Het uitgangspunt is dan dat alles wat aanwezig is gelijk moet worden verdeeld over de erfgenamen. Indien de erfgenamen allemaal op dezelfde manier erfgenaam zijn in de nalatenschap van de vooroverleden ouder én in de nalatenschap van de langstlevende ouder is die benadering niet bij voorbaat problematisch. Maar wanneer er verschil ontstaat en een erfgenaam in de ene nalatenschap regulier erfgenaam is en in de andere erfgenaam slechts legitimaris (want bij testament onterfd) dan kunnen de beiden nalatenschappen niet op een hoop geveegd worden. De motivering van het Gerechtshof laat zien dat dit vooral bij waardering van onroerend goed in het erfrecht een belangrijke rol speelt.

Want voor een erfgenaam is bij de waardering van onroerend goed de datum van verdeling het uitgangspunt (zogezegd; het hier en nu) terwijl voor een legitimaris (een onterfde) bij de waardering van onroerend goed de datum van overlijden van de erflater moet worden aangehouden. Daar kan soms jaren verschil tussen zitten. Vanwege de grote waardestijgingen en waardedalingen voor onroerend goed door de tijd heen geeft dat gemakkelijk enorme verschillen.

Het Gerechtshof bepaalde daarom dat in dit geval dat er getaxeerd moest worden naar twee tijdstippen: in de nalatenschap van de vooroverleden ouder de huidige waarde (bij verdeling) omdat allen voor dat deel erfgenaam waren. In de nalatenschap van de langstlevende ouder moest het aandeel in het onroerend goed gewaardeerd worden naar de datum van overlijden omdat enkele kinderen daarin slechts aanspraak hadden op de legitieme portie en niet konden meedelen in waardestijging (of daling) – dat komt uitsluitend erfgenamen toe.

Een legitimaris heeft slechts een aanspraak in geld – een geldvordering – en is niet zoals een erfgenaam deelgenoot in een nalatenschap (opvolging onder algemene titel). Met dat wettelijke uitgangspunt voor ogen is het logisch dat het Gerechtshof voor wat betreft de legitieme portie vaststelt een legitimaris niet meedeelt in waardestijging van onroerend goed.

 

Wat betreft de ingeroepen nietigheid van het testament zet het Gerechtshof nog een keer op een rij wat daarvoor nodig is. Een testament kan nietig zijn wanneer degene die het testament laat opstellen leed aan een geestelijke stoornis die hem ‘belette tot een redelijke waardering van de daarbij betrokken belangen’. Wanneer iemand aantoonbaar (bijvoorbeeld met heldere medische stukken) niet in staat was zijn wil te bepalen voor zover die nodig was voor het laten opstellen en ondertekenen van een testament is er sprake van wilsonbekwaamheid (art. 3:34 lid 1 BW).

Maar niet iedere geestelijke stoornis zorgt ervoor dat iemand niet in staat is zijn wil te bepalen die nodig is voor bijvoorbeeld een testament. Iemand met bijvoorbeeld een eetbuienstoornis of een bepaalde fobie (en zo zijn nog een hele lijst aan geestelijke stoornissen te noemen) kan prima zijn wil bepalen bij het laten opstellen en ondertekenen van een testament. Niet iedere geestelijke stoornis brengt met zich mee dat de benodigde wil niet bepaald kan worden. Het moet gaan om een geestelijke stoornis die een redelijke waardering van de betrokken belangen belet. Het kan ook gaan om een wilsverklaring die is gedaan onder invloed van de geestelijke stoornis. Als er een geestelijke stoornis is die de benodigde wilsvorming belet óf de wilsverklaring is gedaan onder invloed van die stoornis is gedaan kan wilsonbekwaamheid worden aangenomen met nietigheid van een testament tot gevolg. In dit geval werd vergeetachtigheid, beroertes en hulpbehoevendheid naar voren gebracht om een geestelijke stoornis te onderbouwen die wilsonbekwaamheid tot gevolg zou hebben gehad.

Het Gerechtshof stelt voorop dat de genoemde ‘klachten’ niet gelijk staan aan een geestelijke stoornis die van invloed was op de wilsvorming bij het ondertekenen van het testament. Omdat er verder geen medische gegevens ter onderbouwing konden worden verschaft aan het Gerechtshof wordt er korte metten gemaakt met de stelling dat het testament nietig is. Opnieuw blijkt dat de lat voor het inroepen van nietigheid van een testament erg hoog ligt.

 

De uitspraak van het Gerechtshof is bruikbaar in de nalatenschapspraktijk omdat heldere uitgangspunten geeft over de besproken onderwerpen.

 

M. van Hunnik

 

Heeft u te maken met een nalatenschap en waarderingsvragen neemt u dan contact op met een van onze gespecialiseerde advocaten, 0318 – 24 81 24.