‘Vergoedingsrechten bij echtscheiding’ – een duidelijke lijn

Gepubliceerd op: 29-05-2019

Op 5 april 2019 deed de Hoge Raad een belangwekkende uitspraak over het ‘recht van terugneming’ bij echtscheiding.

 

Waar gaat de discussie over?

Een echtpaar dat is gehuwd in gemeenschap van goederen deelt bij echtscheiding in principe alle bezit en alle schuld bij helfte. Weliswaar is per 1 januari 2018 de ‘Wet beperkte gemeenschap van goederen’ in werking getreden maar geldt (kort gezegd) nog steeds voor wat tijdens het huwelijk wordt opgebouwd dat gedeeld moet worden op basis van 50/50. Nu is er een belangrijke uitzondering op de gemeenschap van goederen en dat is wat onder een uitsluitingsclausule is ontvangen als schenking of als erfenis. Wanneer een echtgenoot bijvoorbeeld van een gulle ouder een bedrag onder uitsluitingsclausule geschonken krijgt valt dat bedrag dus niet in de gemeenschap van goederen, omdat het privé geld is. Maar zodra dat geld wordt overgeboekt naar een gemeenschappelijke bankrekening (een dergelijke bankrekening behoort tot de gemeenschap van goederen) vloeit dat bedrag – ongemerkt – ineens in de gemeenschap van goederen. Komt het tot een echtscheiding dan hoort de echtgenoot die de schenking ontving dat bedrag terug te krijgen. Dat recht van terugneming bij echtscheiding wordt ook wel het recht van reprise genoemd. De discussie gaat over het dit recht van reprise.

 

Wat is het probleem?

In de rechtspraak was niet duidelijk of het recht van reprise altijd volledig kon worden toegepast of dat dit recht bij bepaalde bestedingen werd verminderd. Zo werd door verschillende rechters aangenomen dat het verschil maakte hoe het privé geld, nadat het in de gemeenschap van goederen was gevloeid, was besteed. Was het privé geld dat op de en/of rekening terecht was gekomen gebruikt om bijvoorbeeld de dure vakantie van te betalen (het geld was geconsumeerd; opgemaakt) dan kon het maar zo zijn dat werd aangenomen dat voor dat deel er geen recht van reprise bestond. Was het geld aantoonbaar in een woning geïnvesteerd dan kon het verschil maken of dat voor onderhoudswerkzaamheden was geweest (gerede kans dat de rechter geen recht van reprise zou toekennen) of voor een verbouwing die de waarde had doen toenemen (aanzienlijke kans dat de rechter wel een recht van reprise zou toekennen). De echtgenoot die een recht van reprise claimde kon in allerlei bewijsproblemen terecht komen wanneer niet goed kon worden aangetoond waarvoor dat geld precies was gebruikt. Toch waren er ook wel uitspraken te vinden waarin werd geoordeeld dat het niet uitmaakte waarvoor het geld uiteindelijk was besteed en werd het volledige recht van reprise toegekend. Omdat in de juridische literatuur over dit onderwerp ook heel verschillend werd gedacht is er jarenlange onduidelijkheid gebleven wat gezien moet worden als de juiste toepassing van het recht.

 

Wat heeft de Hoge Raad bepaald?

De Hoge Raad trekt een heel duidelijke lijn. Bedragen die onder uitsluitingsclausule zijn ontvangen en via vermenging door overboeking op een en/of rekening in de gemeenschap van goederen vallen; geven in beginsel een recht van reprise. Waar het geld dat in de gemeenschap van goederen is gevloeid vervolgens aan is besteed doet volgens de Hoge Raad niet ter zake. Ter verduidelijking merkt de Hoge Raad op dat ook wanneer het geld vanaf de en/of rekening is opgemaakt, dan vervalt daardoor nog niet het recht van reprise. Het recht van reprise vermindert volgens de Hoge Raad pas wanneer vanaf de en/of rekening privéschulden zijn voldaan van degene die het recht van reprise heeft. Volgens de Hoge Raad ligt het in een dergelijk geval voor de hand om die beide vergoedingen (recht van reprise tegenover privéschulden welke zijn voldaan door de gemeenschap) met elkaar te verrekenen. De Hoge Raad merkt direct op dat het bestaan van privéschulden in geval van gemeenschap van goederen maar zelden voorkomt. Vrijwel altijd zal een schuld in de gemeenschap van goederen vallen. De heel specifieke uitzonderingen die de wet geeft zijn zogezegd meer theorie dan praktijk, zeker voor huwelijken die zijn aangegaan voor 1 januari 2018 en een gemeenschap van goederen kennen. Na 1 januari 2018 gesloten huwelijken met gemeenschap van goederen kennen op grond van de Wet beperking gemeenschap van goederen namelijk een onderscheid tussen voorhuwelijkse privéschulden en huwelijkse schulden. De Hoge Raad geeft als hoofdregel dat er een bewijsvermoeden bestaat voor degene met een recht van reprise, dat de gelden zijn besteed voor gemeenschapsschulden. Degene die het recht van reprise wil betwisten heeft de bewijslast om bijvoorbeeld aan te tonen dat het gemeenschapsvermogen is gebruikt om privéschulden te voldoen van degene die het recht van reprise heeft.

 

De uitspraak van de Hoge Raad is helder en bruikbaar in de echtscheidingspraktijk omdat het veel duidelijkheid geeft rond het recht van reprise.

 

M. van Hunnik

 

Heeft u te maken met echtscheiding of een vraag over het recht van reprise neemt u dan contact op met een van onze gespecialiseerde advocaten, 0318 – 24 81 24.